Persoonlijke beschermingsmiddelen

Op deze pagina

    De regelgeving over persoonlijke beschermingsmiddelen is vastgelegd in titel 2 van boek IX van de codex over het welzijn op het werk.

    Definitie

    Een persoonlijk beschermingsmiddel (PBM) is iedere uitrusting die, behoudens de reglementair bepaalde uitzonderingen, bestemd is om door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden ten einde hem te beschermen tegen één of meer risico's die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen bedreigen, alsmede alle aanvullingen of accessoires die daartoe kunnen bijdragen.

    De rol van de preventieadviseur

    Volgende tabel illustreert de rol van de preventieadviseur.

    Preventieadviseur 

    Beoordeling van het te kopen
    PBM
     

    Omstandig- heden van gebruik van het PBM 

    Opstellen van de bestelbon 

    Verslag van indienst- stelling 

    Algemene informatienota en instructienota 

    Preventieadviseur des- kundig op het vlak van veiligheid

    Schriftelijk advies

    Schriftelijk advies

    Neemt deel aan het opstellen

     

    Opstellen

    Aanvullen indien nodig

    Preventieadviseur- arbeidsgeneesheer

    Schriftelijk advies

    Schriftelijk advies

    Neemt deel aan het opstellen

    Schriftelijk advies

    Aanvullen indien nodig

    Preventieadviseur belast met de leiding van de interne dienst, of in voorkomend geval van de afdeling van de interne dienst

     

     

     

    Visa

     

     

    Visa


    PBM tegen het vallen

    De bescherming tegen vallen door het gebruik van PBM is en blijft een complexe materie. De bescherming van de gebruiker wordt in feite verzekerd door een samengesteld systeem van PBM tegen het vallen.

    De samenstellende delen van genoemd systeem bestaan hoofdzakelijk uit:

    • een lichaamsbevestiging: het antival-harnas;
    • een reeks verbindingselementen: lijnen, verbindingsklemmen, elementen voor antival en energieabsorptie.

    Bovendien moet het ganse antival-systeem bevestigd worden aan stevige en betrouwbare verankeringspunten.

    De lichaamsbevestiging, de verbindings- en verankeringselementen vormen één geheel; t.t.z. ze moeten onderling compatibel zijn teneinde een doeltreffende bescherming te bieden.
    Indien één enkel van de bestanddelen faalt is de veiligheid niet langer gewaarborgd.

    Op gebied van ontwerp is de reglementaire toestand duidelijk, voor de bevestiging aan het lichaam alsook voor alle verbindings- en verankeringselementen; het zijn allen samenstellende delen van de PBM’s die over technische ontwerpcriteria beschikken die elk zijn vastgelegd in specifieke normen. Deze normen houden geen enkele verplichting in maar ze zijn in feite de vertaling van technische termen van de essentiële vereisten van gezondheid en veiligheid van het koninklijk besluit van 31 december 1992 betreffende de fabricage van PBM. Dit besluit is de omzetting naar Belgisch recht van de Europese economische richtlijn 89/686/CEE betreffende de fabricage van PBM.

    Het zijn de prestatieniveaus vastgesteld door de essentiële vereisten die verplicht moeten nageleefd worden.

    De reglementaire context die tot hiertoe bestond gaf daarentegen problemen wat de verankeringspunten betreft.

    Teneinde de notie “vaste verankering” te preciseren, voor de antivalsystemen (begrip geciteerd in de essentiële vereisten van het KB van 31 december 1992) heeft de Europese commissie de norm EN 795 gepubliceerd.
    Hierin worden vijf types verankeringspunten in beschreven:

    • klasse A: verankeringspunt voor verticale, horizontale en hellende oppervlakken;
    • klasse B: tijdelijke en verplaatsbare verankeringspunten;
    • klasse C: verankeringspunt uitgerust met horizontale flexibele ankerlijnen;
    • klasse D: verankeringspunt uitgerust met starre horizontale ankerlijnen;
    • klasse E: verankering voorzien van een gewicht.

    Het probleem is dat enkel de verankeringspunten van klasse B en E gedekt worden door het toepassingsgebied van het koninklijk besluit betreffende de fabricatie van PBM, en dus beschouwd worden als PBM in de zin van dit besluit.
    De drie andere types (A, C et D) daarentegen worden door de huidige reglementering niet beschouwd als PBM.

    Vanuit het standpunt van de veiligheid tegen vallen bekeken is deze situatie eerder jammerlijk. Verankeringspunten zijn immers essentieel voor wat de bescherming tegen vallen van hoogte betreft. Welnu, zowel voor de fabricatie als voor het op de markt brengen bestaat er geen enkele reglementaire tekst die het naleven van een bepaald veiligheidsniveau oplegt, zoals die bijvoorbeeld beschreven wordt in de norm EN 795.

    Teneinde dit probleem uit te klaren werd er beslist om gebruik te maken van de definitie van een PBM zoals die gegeven is in de codex over het welzijn op het werk.

    Een PBM is “iedere uitrusting die bestemd is om door de werknemer gedragen of vastgehouden te worden ten einde hem te beschermen tegen één of meer risico’s die zijn veiligheid of gezondheid op het werk kunnen bedreigen, alsmede alle aanvullingen of accessoires die daartoe kunnen bijdragen”.
    Aan het begrip “aanvullingen” of “accessoires” werd vroeger weinig aandacht besteed. De regelgeving hecht vandaag veel meer belang aan dit begrip.
    Vandaag worden de verankeringspunten, die vroeger buiten het toepassingsgebied van het koninklijk besluit betreffende de vervaardiging van PBM gelaten werden, beschouwd als onmisbare aanvullende elementen van de PBM die een valbeveiligingssysteem vormen. Om die reden zijn ze dus te behandelen als PBM.

    Alle bepalingen van titel 2 betreffende de persoonlijke beschermingsmiddelen van boek IX van de codex zijn dus toepasbaar op deze uitrustingen. Deze PBM zijn daarentegen niet onderworpen aan de CE-markering.

    Deze benadering heeft belangrijke gevolgen voor de werkgevers die deze bevestigingssystemen ter beschikking stellen van hun werknemers.

    Een voorbeeld zal toelaten dit beter te begrijpen.

    Vóór 2005 was een werkgever die besliste om een horizontale ankerlijn te installeren (verankeringspunt van klasse C) enkel onderworpen aan de algemene reglementaire bepalingen. Deze leggen aan elke werkgever op om te allen tijde de veiligheid van de werknemers te verzekeren met name door het ter beschikking stellen van de best aangepaste uitrusting voor het uit te voeren werk. Deze bepalingen werden aangevuld door een specifieke reglementering. Deze laatste verplicht de werkgever die beslist om een horizontale ankerlijn te installeren om van de fabrikant, via de bestelbon, een aangepast en strikt naleven van één of meer codes van goed vakmanschap te eisen. Hij kan dus in de bestelbon het naleven van de criteria van het ontwerp die hijzelf bepaald heeft, opleggen of hij kan andere criteria voor het ontwerp opleggen die eveneens aan de regels van goed vakmanschap voldoen maar die naar zijn mening en/of ervaring beter aan zijn verwachtingen en het gestelde doel voldoen.

    Hoewel niet expliciet verplicht, zal in de praktijk de norm EN 795 als code van goede praktijk waarschijnlijk als referentie inzake de verankeringssystemen worden beschouwd.

    Voor ankers die bij de structurele opbouw van de constructie voorzien worden en die voorzien zijn voor de bevestiging van de veiligheidslijnen, kan voor dit type van uitrusting eveneens gerefereerd worden naar andere codes, zoals bijvoorbeeld de technische goedkeuring op basis van de richtlijn productsamenstelling.

    Het ganse systeem is dus soepel genoeg om beroep te doen op een reeks technische criteria die zo precies mogelijk overeenkomen met een welbepaalde situatie, maar is tezelfdertijd ook voldoende dwingend om de installatie van een verankeringspunt te verbieden, zonder rekening te houden met ernstige ontwerpcriteria.

    Een synthese van de wettelijke beschikkingen en toepasbaar op de verschillende types PBM is in hierna volgende tabel voorgesteld.

    Tabel: reglementaire bepalingen toepasbaar op verschillende types PBM

     

    Type PBM 

    Artikel IX.2-8, eerste lid:  

    PBM die inzake ontwerp en constructie beantwoorden aan de bepalingen van de besluiten tot omzetting van de communautaire richtlijnen betreffende fabricage van PBM

    Artikel IX.2-8, tweede lid:  

    aanvullingen of accessoires om de werknemers te beschermen tegen een of meerdere risico’s die de veiligheid of de gezondheid op het werk kunnen bedreigen en die niet onderworpen zijn aan een Europese richtlijn met betrekking tot hun ontwerp en fabricage

    Artikel IX.2-12, eerste lid, 3°:  

    PBM beschreven in artikel IX.2-8, eerste of tweede lid, die moeten voldoen aan de bijkomende vereisten teneinde het objectief te bereiken vooropgesteld in artikel 5 van de wet en artikelen I.2-6 en I.2-7

    PBM in de zin van het koninklijk besluit van
    31 december 1992 betreffende de fabricage van PBM

    JA

    NEEN

    JA indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, eerste lid

    NEEN indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, tweede lid

    PBM in de zin van de codex

    JA

    JA

    JA

    CE-markering

    JA

    NEEN

    JA indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, eerste lid

    NEEN indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, tweede lid

    Specifieke referenties in de bestelbon

    Voldoen aan de voorwaarden van IX.2-8, eerste lid

    Voldoen aan de meest geschikte erkende regels van goed vakmanschap, waarvan de referentie nader kan worden bepaald in de bestelbon

    Voldoen aan de bijkomende vereisten, niet noodzakelijk opgelegd door bovenstaande bepalingen, maar onontbeerlijk om het objectief te bereiken vooropgesteld in artikel 5 van de wet en van de artikelen I.2-6 en I.2-7

    levering

    1°bestelling

    Geen enkele bijzondere bepaling

    De leverancier geeft aan de klant een document waarin wordt verklaard dat de verplichtingen opgelegd door artikel IX.2-8, tweede lid, werden nageleefd

    De leverancier geeft aan de klant een document waarin wordt verklaard dat de verplichtingen opgelegd door artikel IX.2-12, eerste lid, 3° werden nageleefd

    hernieuwing

    Bovenstaande bepaling

    • is niet van toepassing indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, eerste lid;
    • is van toepassing indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op PBM beschreven in artikel IX.2-8, tweede lid

    in dienst stelling

    1° bestelling

    Geen enkele bijzondere bepaling

    Vóór elke indienststelling is de werkgever in het bezit van een verslag dat de naleving vaststelt van de bepalingen bedoeld in artikel IX.2-8, tweede lid

    Vóór elke indienststelling is de werkgever in het bezit van een verslag dat de naleving vaststelt van de bepalingen opgelegd in artikel IX.2-12, eerste lid, 3°

    hernieuwing

    Bovenstaande bepaling

    • is niet van toepassing indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op de PBM beschreven in artikel IX.2-8, eerste lid;
    • is van toepassing indien de bijkomende vereisten van toepassing zijn op PBM beschreven in artikel IX.2-8, tweede lid


    De technische controles

    PBM voor de bescherming tegen het vallen

    De PBM tegen het vallen worden onderworpen aan een onderzoek door een externe dienst voor technische controles op de werkplaats, erkend voor de controle van hefwerktuigen:

    • wanneer deze PBM blijvend bevestigd zijn: telkens de betrokken PBM de val van een persoon hebben gestut;
    • wanneer deze PBM niet blijvend bevestigd zijn: ten minste om de 12 maanden en telkens de betrokken PBM de val van een persoon hebben gestut.

    Alle type PBM

    De werkgever is ertoe gehouden om ervoor te zorgen dat een lid van de hiërarchische lijn of een andere werknemer die hiertoe een specifieke opdracht heeft gekregen en over de nodige opleiding beschikt, bij elk gebruik, nagaat of het PBM nog steeds conform is aan de bepalingen van de regelgeving.

    Indien de onderzoeken zo ingewikkeld zijn dat ze slechts door een gespecialiseerd persoon kunnen uitgevoerd worden, dan is het vanzelfsprekend dat de werkgever andere diensten of instellingen kan raadplegen die over de nodige bevoegdheden beschikken om dergelijke onderzoeken uit te voeren.

    De onderzoeken van de PBM tegen het vallen uitgevoerd door een externe dienst voor de technische controle op de werkplaats of de onderzoeken die elk PBM moet ondergaan vóór elke indienststelling door een persoon die over de nodige vorming beschikt, worden uitgevoerd volgens de controle-instructies bepaald in de informatienota van de fabrikant van het PBM.

    PBM aangepast aan de werknemer

    Ter beschikking stellen van op maat gemaakte PBM of PBM aangepast aan de drager

    Bij de behandeling van dit onderwerp moet rekening worden gehouden met de toelichting die wordt gegeven in de interpretatieve gids die in april 2018 is gepubliceerd naar aanleiding van de publicatie van de Europese Verordening 2016/425 van 9 maart 2016 betreffende het op de markt brengen van persoonlijke beschermingsmiddelen, die beschikbaar is op de website van de Europese Commissie: PPE Regulation Guidelines - Guide to application of Regulation EU 2016/425 on personal protective equipment (blz. 55).

    Indien het PBM op maat gemaakt wordt om te voldoen aan gezondheidseisen die specifiek zijn voor de drager van het PBM, dan is dit PBM ook een medisch hulpmiddel. Indien het PBM kan worden aangepast aan de drager door een bijkomend element te gebruiken dat voldoet aan de gezondheidseisen eigen aan de drager van het PBM, gaat het om een PBM aangevuld met een medisch hulpmiddel.

    In het geval van PBM's die bestemd zijn voor voetbescherming, moet worden opgemerkt dat de werk-, beschermings- of veiligheidsschoen tot doel heeft een bepaald niveau van bescherming te bieden tegen een of meerdere gevaren (mechanisch, chemisch, elektrisch, uitglijden, enz.). Voor bepaalde types van gevaren zal de toevoeging van een medisch hulpmiddel zoals een orthopedische binnenzool geen probleem vormen. Een voorbeeld hiervan is het verminderen van het risico op het uitglijden of het risico dat voorwerpen op de tenen kunnen vallen. Voor andere soorten risico's kan de toevoeging van een medisch hulpmiddel echter de beschermingsfactor verminderen. Een voorbeeld hiervan is de bescherming tegen elektrostatische ontladingen. Bij gebrek aan andere, meer pertinente oplossingen, moet in dat geval worden overwogen om een op maat gemaakte schoen ter beschikking te stellen die vanaf het ontwerpstadium beantwoordt aan de ontwerpcriteria die het mogelijk maken om enerzijds de beschermende functie van de schoen te waarborgen en anderzijds te voldoen aan de gezondheidseisen voor de drager van het PBM.

    Indien de uitrusting zowel een PBM is als een medisch hulpmiddel dat dient om te voldoen aan een specifieke behoefte van de drager, dan moet de uitrusting op maat worden gemaakt door een fabrikant. De fabrikant moet dan de eisen toepassen die worden opgelegd door de Europese verordening 2016/425 betreffende het in de handel brengen van PBM's en door de Europese richtlijnen en verordeningen betreffende medische hulpmiddelen. Meer informatie daarover is beschikbaar op de website van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG): Medische hulpmiddelen en hun hulpstukken. Indien aan het PBM een medisch hulpmiddel moet worden toegevoegd, moet de fabrikant van het PBM ervoor zorgen dat het PBM voor dit doel is ontworpen.Deze twee opties laten toe dat specifiek op de drager afgestemde PBM’s worden ter beschikking gesteld.

    Kosten van aan de werknemer aangepaste PBM’s

    Wanneer de werkgever werk-, beschermings- of veiligheidsschoenen moet leveren die aan de drager moeten worden aangepast via een van de twee bovengenoemde opties, rijst regelmatig de vraag of een deel van de kosten kan worden gedragen door de werknemers die van deze maatregel genieten. Om deze vraag te beantwoorden, moeten de volgende twee hypothesen worden overwogen.

    De eerste hypothese doet zich voor wanneer het door de werkgever verstrekte schoeisel op maat moet worden gemaakt om zowel aan de fysieke kenmerken van de werknemer als aan de veiligheidseisen te voldoen. De kosten worden in dat geval volledig door de werkgever gedragen.

    De tweede hypothese is gebaseerd op het principe dat de werknemer op het werk de orthopedische inlegzolen die hij in zijn persoonlijke schoenen draagt, gebruikt door deze in de veiligheidsschoen te leggen die de werkgever hem moet verstrekken. Indien de aard van het uit te voeren werk geen schade toebrengt aan de orthopedische inlegzool, wordt deze oplossing aanvaardbaar geacht. Het feit dat de werknemer zelf de inlegzool meebrengt leidt immers niet tot extra kosten voor deze werknemer.

    Deze oplossing kan echter niet worden overwogen indien de aard van het werk de orthopedische inlegzolen zodanig beschadigt dat deze vaker dan gewoonlijk door de werknemer moeten worden vervangen. Het is duidelijk dat een dergelijk gebruik zou leiden tot extra kosten voor de werknemer als gevolg van zijn werk, wat niet is toegestaan. In dit geval zijn de kosten dan ook voor rekening van de werkgever.

    Indien de werknemer in aanmerking komt voor een financiële tussenkomst, bijvoorbeeld van een instelling van sociale zekerheid, voor de aankoop van PBM's zoals schoenen, mag het feit dat op die vergoeding beroep wordt gedaan niet tot gevolg hebben dat het bedrag van de financiële tussenkomst waarop de werknemer zou kunnen aanspraak maken bij de aankoop van zijn persoonlijke schoenen, wordt verminderd.

    Er bestaan wellicht nog andere situaties waarbij een PBM dat geleverd wordt door de werkgever moet aangevuld worden met andere middelen, opdat het zou aangepast zijn aan de drager. Wat ook de context mag zijn, het is duidelijk dat het principe van de kosteloosheid van de PBM in geen enkel geval mag in vraag gesteld worden. Toch moet gesteld worden dat indien de financiële last voor de werkgever, onder bepaalde voorwaarden, kan verlicht worden, zonder dat deze kostenlast uiteindelijk wordt gedragen door de werknemer, een zekere tolerantie kan gehanteerd worden.

    Adviezen van de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk