Interprofessioneel akkoord (IPA)

Op deze pagina

    Een interprofessioneel akkoord (IPA) is een sectoroverschrijdend programmatie- of kaderakkoord dat de vertegenwoordigers van de sociale partners uit de privésector afsluiten om de 2 jaar. Een dergelijk akkoord komt tot stand in de zogenaamde Groep van 10. Vaak wordt de federale regering als derde partner nauw bij de onderhandelingen betrokken.

    In de Groep van 10 zetelen 5 werkgeversvertegenwoordigers (Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) (2), Unie van Zelfstandige Ondernemers (Unizo) (1), Union des Classes Moyennes (UCM) (1), en Boerenbond (1) en 5 afgevaardigden van de vakbonden (Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) (2), Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV) (2) en Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België (ACLVB) (1)).

    België zou België niet zijn indien deze Groep van 10 de facto niet uit 11 personen zou bestaan. De voorzitter van het VBO, die een bedrijfsleider is en voor een periode van drie jaar VBO-voorzitter is, zit traditioneel de Groep van 10 voor en probeert vanuit die functie het overleg in goede banen te leiden. Omdat de afspraken die in deze Groep van 10 gemaakt worden betrekking hebben op alle werknemers en werkgevers van ons land en dus bedrijfstak-overschrijdend zijn, spreekt men in het jargon van “interprofessioneel overleg”.

    Sinds de 60-er jaren worden dergelijke IPA’s gesloten. Voor een overzicht van de recente akkoorden, zie de volgende webpagina van de Nationale Arbeidsraad (NAR): http://www.cnt-nar.be/Interpr-akkoord.htm.

    De afspraken die de partners maken in een IPA houden steeds een programmatie in voor de volgende twee jaren. Het belangrijkste element van dit akkoord is het bepalen van de loonnorm zoals die is voorzien in de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. Daarnaast komen er in een interprofessioneel akkoord ook afspraken voor met betrekking tot de vorming van werknemers, de arbeidsomstandigheden, de tewerkstellingsinspanningen, de arbeidsduur, het einde van de loopbaan, enz.

    Deze akkoorden moeten steeds een “vertaling” krijgen in collectieve arbeidsovereenkomsten van de NAR, van de talrijke paritaire comités of in wetten en besluiten.