Het recht op werken

Op deze pagina

    Het unierecht voorziet een vrij verkeer van personen, wat onder meer betekent dat iedere onderdaan van een lidstaat het recht heeft om in een andere lidstaat arbeid in loondienst te aanvaarden en te verrichten.

    Het terugtrekkingsakkoord van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie dat in werking treedt op 1 februari 2020, voorziet in de eerste plaats een overgangsperiode tot 31 december 2020, die eenmalig verlengbaar is, waarin het Verenigd Koninkrijk weliswaar geen deel meer uitmaakt van de Europese Unie maar waarin de Europese regelgeving van toepassing blijft in het Verenigd Koninkrijk en voor de Britse burgers.

    Het terugtrekkingsakkoord voorziet daarnaast ook regelingen in verband met de rechten voor de burgers die van toepassing zijn na afloop van de overgangsperiode. Het gaat onder meer om het recht om te werken voor alle Britse onderdanen en hun familieleden die hun recht op verblijf hebben uitgeoefend voor het einde van de transitieperiode in een Europese lidstaat en daarna hun verblijf voortzetten op grond van het terugtrekkingsakkoord.  Het terugtrekkingsakkoord voorziet eveneens dit recht om te werken voor de familieleden die op basis van het terugtrekkingsakkoord een recht op verblijf hebben. Dezelfde rechten gelden voor Europese burgers in dezelfde situatie in het Verenigd Koninkrijk.

    Het terugtrekkingsakkoord voorziet ook een regeling voor de grensarbeiders. Het gaat om personen die een economische activiteit uitoefenen in een ander land dan het land waarin ze wonen. Het ontwerp van terugtrekkingsakkoord bepaalt zo dat Britse grensarbeiders verder mogen blijven werken na de overgangsperiode in een Europese lidstaat. Hetzelfde is het geval voor Europese grensarbeiders in het Verenigd Koninkrijk.

    Elke grensarbeider die onder deze bepalingen valt, heeft het recht om een attest aan te vragen in het land waar hij werkt en dat certificeert dat hij het recht heeft om te werken in dat land.


    Werknemers en grensarbeiders die aldus onder de bepalingen van het ontwerp van terugtrekkingsakkoord vallen, blijven ook na de overgangsperiode genieten van de rechten voorzien in artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in Verordening nr. 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Deze rechten omvatten:

    • Het recht om op basis van nationaliteit niet te worden gediscrimineerd op vlak van werkgelegenheid, beloning en overige arbeidsvoorwaarden; 
    • Het recht op toegang tot de werkzaamheden en de uitoefening daarvan overeenkomstig de regels die van toepassing zijn op de onderdanen van het gastland of het land van de beroepsactiviteit; 
    • Het recht op dezelfde bijstand als de arbeidsbureaus van het gastland of het land van de beroepsactiviteit aan de eigen onderdanen verlenen; 
    • Het recht op gelijke behandeling wat betreft de voorwaarden voor tewerkstelling en arbeid, met name op het gebied van beloning, ontslag en, indien hij werkloos is geworden, wederinschakeling in het beroep of wedertewerkstelling; 
    • Het recht op dezelfde sociale en fiscale voordelen; 
    • Collectieve rechten; 
    • De rechten en voordelen die nationale werknemers op het gebied van huisvesting worden toegekend; 
    • Het recht op toelating van hun kinderen tot het algemeen onderwijs, het leerlingenstelsel en de beroepsopleiding, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van het gastland of het land van beroepsactiviteit, indien deze kinderen verblijven op het grondgebied waar de werknemer arbeid verricht. 
       

    Het terugtrekkingsakkoord heeft geen betrekking op Europese burgers die pas na de overgangsperiode in het Verenigd Koninkrijk willen verblijven en werken, noch op Britse burgers die in een Europese lidstaat willen verblijven en werken. De politieke verklaring over de toekomstige relatie tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie stelt dat het beginsel van vrij verkeer van personen niet langer van toepassing zal zijn. De twee partijen zullen zich ‘beraden’ op voorwaarden voor binnenkomst en verblijf voor doeleinden zoals onderzoek, studie, opleiding en jongerenuitwisselingen. Ze zullen ook de coördinatie van socialezekerheidsvoorzieningen ‘overwegen’. Tijdelijke binnenkomst en verblijf voor zakelijke doeleinden wordt ook vermeld in de politieke verklaring. Het valt af te wachten hoe deze politieke verklaring zich zal concretiseren in het toekomstige verdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie.
     

    In principe worden de Britse burgers ‘derdelanders’ die enkel onder strikte voorwaarden in een Europese lidstaat mogen verblijven en werken. Gelet op de Belgische bevoegdheidsverdeling zullen in principe de gewesten bevoegd zijn, eventueel in uitvoering van de latere verdragen tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, om te bepalen onder welke voorwaarden de Britse burgers in elk gewest kunnen werken. Voor het Verenigd Koninkrijk zal de Britse overheid zelf kunnen bepalen onder welke voorwaarden Europese burgers nog kunnen wonen en werken