Op 1 september 2026 treden er wijzigingen in werking aan het Sociaal Strafwetboek ingevolge de wet van 16 maart 2026 tot wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op de strafrechtelijke geldboeten, het Sociaal Strafwetboek en diverse bepalingen van het sociaal strafrecht.
Deze wet voorziet onder meer in een wijziging van de sanctieniveaus en in een vermindering van de vermenigvuldigingscoëfficiënt van de opdeciemes.
De belangrijkste wijzigingen aan het Sociaal Strafwetboek en aan andere sociale wetten die op 1 september 2026 in werking treden en rekening houden met het nieuwe Strafwetboek, zijn de volgende:
Actualisering van verwijzingen naar artikelen van het Strafwetboek in sociale wetten of opheffing van strafbepalingen die overlappen met de inbreuken van het Sociaal Strafwetboek
In artikel 32quinquiesdecies, eerste lid, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wordt de verwijzing naar artikel 458 van het Strafwetboek vervangen door een verwijzing naar artikel 352.
Artikel 13 van de wet van 10 augustus 2005 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese Vennootschap, dat voorziet in de toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek, wordt opgeheven omdat de daarin bedoelde inbreuk sinds de wijziging door de wet van 29 februari 2016 reeds wordt bestraft door artikel 192, derde lid, van het Sociaal Strafwetboek.
Verschillende artikelen van de wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst worden gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de nieuwe terminologie (verdwijning van het begrip "(mede)dader"), de nieuwe begrippen en de nieuwe nummering van het nieuwe Strafwetboek (artikelen 12, 14 en 17).
Wijzigingen aan het Sociaal Strafwetboek
Actualisering van verwijzingen naar artikelen van het Strafwetboek: de verwijzingen naar artikelen van het Strafwetboek die voorkomen in het Sociaal Strafwetboek worden geactualiseerd, meer bepaald in de volgende artikelen: 51, 58, 58/1, 59, 79, 100/13, 108, 110, 117 en 231.
Actualisering van begrippen in het Sociaal Strafwetboek. De in het Sociaal Strafwetboek gebruikte begrippen worden aangepast aan de nieuwe terminologie:
- Het begrip "(mede)dader" wordt vervangen door "pleger van een inbreuk of deelnemer aan een inbreuk" in vijf artikelen: artikel 3, artikel 100/6, zesde lid, 1°, artikel 100/11, derde lid, 1°, artikel 100/12/1, 2°, e), en artikel 117.
- Het begrip " en flagrant délit” wordt in het Frans vervangen door " en flagrance” in artikel 24, § 1, eerste streepje.
- Het begrip "wetens en willens" wordt vervangen door "opzettelijk" in vijftien artikelen: 110/1, 115/1, 137/5, 181, 181/1, 183/1, 184, 204, 208, 214, 223, 226, 233, 234 en 237.
- Het woord "opzettelijk" wordt toegevoegd in twee artikelen: artikel 106, § 1, en artikel 107, § 4.
- Het begrip "bijzondere verbeurdverklaring" wordt vervangen door "verbeurdverklaring", overeenkomstig de terminologie van het nieuwe Strafwetboek, in de artikelen 175 en 175/1.
- Het woord "misdadig" wordt geschrapt uit de artikelen 113 en 116, aangezien dit begrip niet langer wordt gebruikt in het strafrecht.
Vervanging van artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek
De bedragen van de strafrechtelijke en administratieve geldboeten worden vermenigvuldigd met 8, om overeenstemming te verzekeren met hetgeen is voorzien in het nieuwe Strafwetboek.
De inhoud van de sanctieniveaus 2, 3 en 4 wordt aangevuld met een uitdrukkelijke verwijzing naar de alternatieve of nieuwe straffen die in geval van strafrechtelijke vervolging kunnen worden opgelegd: de probatiestraf, de werkstraf en de geldstraf.
- Wijziging van artikel 101/1 van het Sociaal Strafwetboek: artikel 101/1 van hetzelfde Wetboek wordt gewijzigd zodat ook de daarin vermelde geldboeten met 8 worden vermenigvuldigd.
Invoeging van twee nieuwe artikelen in het Sociaal Strafwetboek:
- Artikel 101/2. Vervangende straffen bij niet-uitvoering van probatiestraffen en werkstraffen
Artikel 101/2 heeft tot doel de inhoud te verduidelijken van de vervangende straffen die kunnen worden toegepast wanneer een opgelegde probatiestraf of werkstraf niet wordt uitgevoerd.
Het bepaalt dat wanneer de rechter een probatiestraf of werkstraf van niveau 2 of 3 uitspreekt, hij een vervangende geldboete van minimaal 200 euro en maximaal 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minimaal één maand en maximaal zes maanden vaststelt.
Wanneer de rechter een probatiestraf of werkstraf van niveau 4 uitspreekt, stelt hij een vervangende geldboete van minimaal 200 euro en maximaal 20.000 euro of een vervangende gevangenisstraf van minimaal één maand en maximaal één jaar vast.
- Artikel 101/3. Gelijkstelling van de sancties van het Sociaal Strafwetboek met de straffen van het Strafwetboek
Artikel 101/3 voorziet in een concordantieregel die het mogelijk maakt een verband te leggen tussen de strafniveaus van het nieuwe Strafwetboek en de sanctieniveaus van het Sociaal Strafwetboek.
De bedragen voorzien in artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek zijn vanaf 1 september 2026 als volgt:
|
Sanctieniveau |
Gevangenisstraf |
Strafrechtelijke geldboete |
Administratieve geldboete |
|
1 |
/ |
/ |
80 - 800 |
|
2 |
/ |
400 - 4.000 |
200 - 2.000 |
|
3 |
/ |
1.600 - 16.000 |
800 - 8.000 |
|
4 |
6 maanden tot 3 jaar |
4.800 - 56.000 |
2.400 - 28.000 |
Wijzigingen aan de artikelen 106 en 107 van het Sociaal Strafwetboek
Deze artikelen worden gewijzigd om de toepassing van artikel 57 van het Strafwetboek (wat artikel 106 betreft) en van artikel 48 van het Strafwetboek (wat artikel 107 betreft) uitdrukkelijk uit te sluiten.
Het nieuwe Strafwetboek voorziet in de bijkomende straf van beroepsverbod (artikel 48) en de bijkomende straf van verbod om een activiteit uit te oefenen die verband houdt met het voorwerp van de veroordeling (artikel 57). Deze straffen kunnen worden uitgesproken voor alle strafbare feiten, ongeacht het voorziene strafniveau.
Dit staat in contrast met de bijkomende straffen bedoeld in de artikelen 106 en 107 van het Sociaal Strafwetboek, die beperkt zijn tot inbreuken van sanctieniveau 3 en 4.
Opheffing van artikel 109 van het Sociaal Strafwetboek betreffende deelneming aan een inbreuk en dat verwijst naar het Strafwetboek
Dit artikel werd opgeheven naar aanleiding van het advies van de Raad van State, die van oordeel is dat deze bepaling overbodig is gelet op artikel 77 van het nieuwe Strafwetboek, getiteld "Toepassing van de bepalingen van dit Boek op Boek II en op de bijzondere wetten".
Wijziging van artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek
Het nieuwe Strafwetboek bepaalt welke straffen overeenstemmen met de acht niveaus van de strafschaal en legt eveneens vast welke straffen van toepassing zijn in geval van verzachtende omstandigheden. De strafverminderingen zijn geïntegreerd in de bepalingen van deze nieuwe strafschaal.
Regelingen zoals die welke waren opgenomen in de artikelen 80 en volgende van het oude Strafwetboek komen niet langer voor in het nieuwe Strafwetboek.
Artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek bevat een regeling inzake verzachtende omstandigheden die verwijst naar artikel 85 van het Strafwetboek. Artikel 85 van het Strafwetboek wordt echter opgeheven en er bestaat geen equivalente bepaling in het nieuwe Strafwetboek. Bovendien verwijst artikel 110 naar de politiestraffen, die eveneens zijn opgeheven in het nieuwe Strafwetboek.
Artikel 110 van het Sociaal Strafwetboek wordt daarom aangepast.
Wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemes op de strafrechtelijke geldboeten
Om het bedrag te kennen dat daadwerkelijk wordt opgelegd en betaald, moeten de strafrechtelijke en administratieve geldboeten worden verhoogd met de opdeciemen bedoeld in artikel 1 van de wet van 5 maart 1952.
Verhoging van de bedragen van de strafrechtelijke geldboeten
De bedragen van de strafrechtelijke geldboeten die in het nieuwe Strafwetboek zijn opgenomen, worden verhoogd (vermenigvuldigd met 8) om het Sociaal Strafwetboek in overeenstemming te brengen met het Strafwetboek en om de samenhang tussen beide wetboeken te behouden. Tegelijk blijft het systeem van de opdeciemen behouden (vermenigvuldiging met 1,25), zodat uiteindelijk dezelfde effectieve geldboetebedragen worden bekomen als die welke van toepassing waren op feiten gepleegd tussen 1 februari 2026 en 31 augustus 2026.
Met andere woorden: vanaf 1 september 2026 worden de basisbedragen van de geldboeten in het Sociaal Strafwetboek verhoogd (vermenigvuldiging met 8), maar wordt de vermenigvuldigingscoëfficiënt van de opdeciemen die op deze geldboeten van toepassing is, verlaagd (de coëfficiënt “90” wordt “2,50”; x 10 wordt x 1,25).
Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026 gelden de volgende sanctieniveaus:
|
Sanctieniveau |
Gevangenisstraf |
Strafrechtelijke geldboete |
Administratieve geldboete |
|
1 |
/ |
/ |
€ 100 - € 1.000 |
|
2 |
/ |
€ 500 - € 5.000 |
€ 250 - € 2.500 |
|
3 |
/ |
€ 2.000 - € 20.000 |
€ 1.000 - € 10.000 |
|
4 |
6 maanden tot 3 jaar |
€ 6.000 - € 70.000 |
€ 3.000 - € 35.000 |
Uiteindelijk wordt in beide periodes (voor feiten gepleegd van 1 februari 2026 tot en met 31 augustus 2026 en voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026) hetzelfde eindbedrag bekomen, zij het via twee verschillende berekeningswijzen:
- Voor feiten gepleegd van 1 februari 2026 tot en met 31 augustus 2026: basisbedrag van artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek × 10.
- Voor feiten gepleegd vanaf 1 september 2026: basisbedrag van artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek × 1,25.