Een aantal wetten hebben het Sociaal Strafwetboek gewijzigd in 2024 en de FOD Werkgelegenheid heeft zeer intensief deelgenomen aan de opmaak van de wettelijke bepalingen en de goedkeuring van deze teksten.
De wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen (Kamer, 55-nr. 3914).
De wet van 15 mei 2024 houdende wijziging van het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen is op 21 juni 2024 verschenen in het Belgisch Staatsblad.
De inhoud van de wet is in de loop van de tijd geëvolueerd en ze bevat een aantal hoofdstukken die afzonderlijk behandeld moeten worden.
De hoofdstukken 2 tot 9
De datum van inwerkingtreding van deze hoofdstukken is 1 juli 2024.
De werkzaamheden voor de goedkeuring van de hoofdstukken 2 tot 9 van deze wet zijn enkele jaren geleden van start gegaan en hebben in mei 2024 uiteindelijk geleid tot de goedkeuring van het wetsontwerp door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, net vóór de ontbinding ervan met het oog op de federale parlementsverkiezingen.
Ze zijn bijgevolg het resultaat van een aantal oefeningen, zoals:
- de juridische beoordeling van het Sociaal Strafwetboek door de Adviesraad van het sociaal strafrecht na meer dan tien jaar toepassing op het terrein;
- de doelstelling om de gevangenisstraf alleen als sanctie toe te passen wanneer dit niet anders kan;
- het in aanmerking nemen van nieuwe begrippen die zijn opgenomen in het huidige Strafwetboek en in het nieuwe Strafwetboek dat in april 2026 in werking zal treden;
- en de update van het Sociaal Strafwetboek in functie van een aantal wetten die het sociaal recht sinds 2017 hebben gewijzigd om de rechtszekerheid te herstellen.
De wijzigingen die werden aangebracht in het Sociaal Strafwetboek hebben zowel betrekking op boek 1 van het Sociaal Strafwetboek dat gewijd is aan de preventie, de vaststelling en de vervolging van de inbreuken en de bestraffing ervan in het algemeen, als op boek 2 van het Sociaal Strafwetboek dat de inbreuken bevat die bestraft worden door de sancties waarin het Strafwetboek voorziet.
Dit zijn enkele wijzigingen die werden aangebracht aan boek 1 van het Sociaal Strafwetboek:
- Het begrip sociale dumping en een definitie van sociale dumping worden opgenomen in het deel dat het beleid omschrijft van de strijd tegen het illegale werk en de sociale fraude dat bepaald werd door de Ministerraad. Dit om te wijzen op het belang dat wordt gehecht aan dit fenomeen dat zich ontwikkelt in België en de noodzaak om het te bestrijden.
- De wet wijzigt een aantal artikelen over de definitie en de bevoegdheden van de sociaal inspecteurs:
- Ze regelt uitdrukkelijk het geval van de sociaal inspecteur-stagiair. In de definitie van sociaal inspecteurs worden personeelsleden opgenomen die de hoedanigheid van stagiair hebben na het verstrijken van een bepaalde periode en een gunstig advies;
- Ze voegt een artikel in dat uitdrukkelijk voorziet in de onafhankelijkheid van de sociaal inspecteurs bij de uitoefening van hun taken;
- Ze wijzigt enkele artikelen van het Sociaal Strafwetboek over de bevoegdheden en de plichten van de sociaal inspecteurs om uitdrukkelijk te verwijzen naar de zelfstandigen. De zelfstandigen zijn dus reeds impliciet opgenomen in de artikelen van het Sociaal Strafwetboek, maar er moet expliciet naar verwezen worden om een einde te stellen aan de controverses.
- Ze wijzigt het artikel dat de regels en de voorwaarden opsomt waarbinnen een sociaal inspecteur vaststellingen met beeldmateriaal mag maken om te verduidelijken dat een sociaal inspecteur foto's mag maken met een smartphone of met een technisch neutraal instrument. Deze wijziging heeft tot doel een einde te stellen aan het debat hieromtrent.
- De voorafgaande raadpleging van de Adviesraad van het sociaal strafrecht wordt verplicht voor alle wetsontwerpen of wetsvoorstellen tot wijziging van het Sociaal Strafwetboek en voor ontwerpen van koninklijk besluit tot uitvoering van het Sociaal Strafwetboek.
- De wet wijzigt artikel 101 van het Sociaal Strafwetboek dat een nauwkeurige beschrijving geeft van de inhoud van de vier sanctieniveaus die de inbreuken bestraffen die vermeld worden in boek 2 van hetzelfde Wetboek.
De bedragen van de strafrechtelijke geldboete en van de administratieve geldboete van de sanctie van niveau 3 worden verdubbeld (strafrechtelijke geldboete van 200 tot 2000 euro en administratieve geldboete van 100 tot 1000 euro in plaats van 100 tot 1000 euro en 50 tot 500 euro) en de maximum bedragen van de strafrechtelijke geldboete en van de administratieve geldboete van de sanctie van niveau 4 worden verhoogd (7000 in plaats van 6000 voor de strafrechtelijke geldboete en 3500 in plaats van 3000 voor de administratieve geldboete). Deze bedragen blijven onderhevig aan de opdeciemen.
- De wet wijzigt de termijn van recidive in geval van strafrechtelijke vervolging of in geval van administratieve vervolging. Ze voorziet in een termijn van recidive van drie jaar in plaats van één jaar. Bovendien bepaalt ze dat de verdubbeling voortaan alleen mogelijk is voor de strafrechtelijke boete en niet langer voor de gevangenisstraf.
- De wet loopt vooruit op de opheffing van artikel 41bis van het Strafwetboek dat betrekking heeft op de omzetting van gevangenisstraffen in boetes voor rechtspersonen, aangezien de toekomstige hervorming van het Strafwetboek voorziet in een systeem van straffen die rechtstreeks van toepassing zijn op rechtspersonen en de inhoud van het huidige artikel 41bis van het Strafwetboek niet overneemt. De wet van 15 mei 2024 voegt een nieuw artikel 101/1 toe aan het Sociaal Strafwetboek met als titel “De strafrechtelijke geldboeten toepasselijk op inbreuken gepleegd door rechtspersonen”, dat in werking treedt wanneer het nieuwe Strafwetboek in werking treedt (april 2026).
- De nieuwe wet voegt een nieuwe specifieke straf toe aan het Sociaal Strafwetboek, namelijk de uitsluiting van het recht om deel te nemen aan overheidsopdrachten of concessies (artikel 107/1).
- De wet is geïnspireerd op de hervorming van het Belgisch Strafwetboek om in het Sociaal Strafwetboek het begrip verzwarende factor bij het plegen van bepaalde misdrijven in te voeren. In twee gevallen:
- het “wetens en willens” plegen van een inbreuk die bestraft wordt met een sanctie van niveau 4, wordt in het Sociaal Strafwetboek gedefinieerd als een “verzwarende factor”, waarmee de rechter of de bevoegde administratie rekening zal moeten houden bij het bepalen van de sanctie die daadwerkelijk zal worden opgelegd.
- in het geval van inbreuken inzake de belemmering van het toezicht bepaalt de wet dat fysiek of psychisch geweld of de bedreiging van een sociaal inspecteur in combinatie met deze belemmering van het toezicht, een verzwarende factor is die in overweging moet genomen worden door de rechter of door de bevoegde administratie bij het bepalen van de sanctie die daadwerkelijk zal worden opgelegd.
De belangrijkste wijzigingen die werden aangebracht in boek 2 van het Sociaal Strafwetboek:
Het gaat om:
- het verlagen van het sanctieniveau voor inbreuken,
- het verhogen van het sanctieniveau voor inbreuken,
- het schrappen van bepalingen die inbreuken strafbaar stellen omdat de verplichtingen/verboden die werden bestraft, niet langer bestaan of met het oog op decriminalisering,
- het invoegen van nieuwe inbreuken in het Sociaal Strafwetboek omwille van de invoering van nieuwe verplichtingen/verboden in het sociaal recht.
Bovendien worden de inbreuken die al strafbaar waren volgens het Sociaal Strafwetboek voortaan ondergebracht in een specifiek artikel in het Sociaal Strafwetboek en worden verscheidene bewoordingen van inbreuken aangepast om de inbreuken weer strafbaar te maken als gevolg van de wijziging van de betreffende verplichtingen/verboden.
De structuur van artikelen die inbreuken bestraffen tegen federale aangelegenheden en inbreuken tegen aangelegenheden die voortaan onder de bevoegdheid van de gefedereerde entiteiten vallen, is gewijzigd zodat de formulering of de sanctie kan worden gewijzigd voor aangelegenheden die nog steeds onder de bevoegdheid van de federale wetgever vallen (art. 162, 163, 219: overheveling van federale aangelegenheden naar nieuwe paragrafen).
U vindt meer details op onze website.
In de tweede helft van 2024 werden algemene opleidingen over deze wijzigingen verstrekt aan de personeelsleden van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Er werden meer specifieke en gedetailleerde opleidingen verstrekt aan de sociaal inspecteurs van de twee sociale inspecties van de FOD Werkgelegenheid en aan de inspecteurs van de andere federale sociale inspecties, aangezien het Sociaal Strafwetboek één van hun dagelijkse arbeidsmiddelen is. Het is noodzakelijk dat ze op de hoogte zijn van de veranderingen die erin zijn aangebracht.
De hoofdstukken 11 tot 14:
Deze hoofdstukken die oorspronkelijk waren ondergebracht in een wetsontwerp afzonderlijk van datgene dat de hoofdstukken 1 tot 9 bevatte, werden opgenomen in het andere wetsontwerp.
Deze hoofdstukken 11 tot 14 organiseren de onderaannemingsketen, de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden en de registratie van de aanwezigheden voor de verhuisactiviteiten.
De bepalingen ervan hebben verschillende data van inwerkingtreding. Sommige zijn in werking getreden in 2024, andere zullen na 2024 in werking treden.
Deze nieuwe bepalingen hebben tot doel een aantal verbeteringen aan te brengen die het mogelijk maken beter de strijd aan te gaan tegen de sociale fraude en de bescherming die de werknemers genieten, te verbeteren.
Ze wijzigen ook de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon om een nieuwe bijzondere regeling van hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden in te voeren voor wat betreft de activiteiten in de verhuissector. Er werden nieuwe inbreuken ingevoerd in het Sociaal Strafwetboek om de inbreuk op nieuwe verplichtingen of verboden te straffen.
De nieuwe artikelen van het Sociaal Strafwetboek dragen meer bepaald de volgende titels:
- Art. 137/6: Aanwezigheidsregistratie op de plaatsen waar verhuisactiviteiten worden uitgevoerd.
- Art. 137/7: Aanwezigheidsregistratieplicht van de werknemers op de arbeidsplaatsen waar verhuisactiviteiten worden uitgevoerd.
- 184/1/3: De organisatie van de onderaanneming in het kader van overheidsopdrachten.
- 184/1/4: De organisatie van de onderaanneming in het kader van concessieovereenkomsten.
- 184/1/5: De organisatie van de onderaanneming buiten het kader van overheidsopdrachten van het Sociaal Strafwetboek.
De wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst
De wet van 3 mei 2024 houdende bepalingen betreffende sekswerk onder arbeidsovereenkomst is in werking getreden op 1 december 2024.
Ze heeft de artikelen 136/2 en 186/2 ingevoegd in het Sociaal Strafwetboek, alsook een nieuwe §3 in artikel 177 van hetzelfde Wetboek om de inbreuk te bestraffen op de verplichtingen en verbodsbepalingen die worden ingevoerd door de nieuwe wet:
- artikel 136/2 - Verboden tewerkstelling van minderjarigen als sekswerker
- artikel 177, § 3,- Terbeschikkingstelling
- artikel 186/2 - De arbeidsovereenkomst voor sekswerker
De aanduiding van de bevoegde sociale inspectiediensten die instaan voor het toezicht op de nieuwe bepalingen
De aanduiding van de bevoegde sociale inspectiediensten die instaan voor het toezicht op de naleving van de wetten die de bovengenoemde nieuwe verplichtingen/verbodsbepalingen inhouden en om desgevallend de processen-verbaal op te maken van de inbreuken, is gebeurd in 2024.
Er werd een artikel 6/15 ingevoegd in het koninklijk besluit van 1 juli 2011 tot uitvoering van de artikelen 16, 13°, 17, 20, 63, 70 en 88 van het Sociaal Strafwetboek (bekendgemaakt op 12/09/24; in werking getreden op 01/12/24).