Van januari tot juni 2024 was België voorzitter van de Raad van de Europese Unie, met een focus op een ambitieuze sociale agenda. Het voorzitterschap richtte zich op het afronden van wetgevende dossiers, het versterken van platformwerkregels en het bevorderen van sociale investeringen. Daarnaast werd de verklaring van La Hulpe gelanceerd als leidraad voor het toekomstige Europese sociale beleid.
Van 1 januari tot 30 juni 2024 was België voorzitter van de Raad van de Europese Unie. Dat betekent dat wij moesten zorgen dat de ministerraden, de Europese ministerraden voorgezeten werden. Dat betekent dus ook dat de minister van Werk, onze minister, en de minister van Sociale Zaken de voorzitter waren van de Europese ministerraad van ministers van Werk en Sociale Zaken. Ons voorzitterschap kwam een beetje op een speciaal moment. Het was het laatste voorzitterschap van de Europese legislatuur. De Europese verkiezingen vielen midden in ons voorzitterschap en onze ambitie was dubbel. In de eerste plaats wilden we zoveel mogelijk wetgevende dossiers die nog op de tafel lagen afwerken. En daarnaast wilden we mee de agenda zetten voor de nieuwe Europese legislatuur, voor de Europese Commissie die na de Europese verkiezingen zou aantreden. Voor die commissie wilden we een ambitieuze sociale agenda uittekenen. We zijn heel vroeg begonnen aan ons voorzitterschap. Al in de tweede week van januari stond een heel belangrijke vergadering op de agenda: de informele vergadering van de Europese ministers van Werk en Sociale Zaken. Die is doorgegaan in Namen en heeft naast de ministers ook de sociale partners en verschillende Europese instellingen samengebracht. We hebben daar in de eerste plaats nagedacht over het Europa van morgen, over de agenda voor werkgelegenheid en sociaal beleid voor de komende jaren. Daarnaast wilden we er ook een internationaal karakter aan geven. We hebben dus de directeur-generaal van de Internationale Arbeidsorganisatie, de heer Houngbo uitgenodigd om te kijken hoe we dat Europese verhaal in een mondiaal kader kunnen inpassen. En bij die gelegenheid heeft de Europese Commissie ook bekendgemaakt dat Europa zal toetreden tot de Global Coalition for Social Justice, een initiatief van de ILO, om met name dat sociale beleid op wereldvlak te versterken. Als Belgisch voorzitterschap wilden we zelf een aantal thema's sterk op de agenda zetten. Mentale gezondheid op het werk is een thema dat zeker sinds covid heel belangrijk is geworden en waar we als België graag zouden willen dat Europa in de komende jaren een initiatief neemt. En dus hebben we in januari een conferentie georganiseerd over dat thema om te zorgen dat het de komende jaren wordt meegenomen. Daarnaast hebben we in januari een tweede conferentie opgezet over de Europese Arbeidsautoriteit. ELA is een nieuw Europees agentschap dat ongeveer vijf jaar bestaat en dat vooral inzet op de samenwerking tussen inspectiediensten binnen Europa. België werkt veel samen met ELA en we vinden het ook heel belangrijk dat ELA goed kan werken. Om een eerlijke mobiliteit te hebben op de Europese arbeidsmarkt is het belangrijk dat inspectiediensten samen daaraan werken. En dus vinden we het belangrijk dat ELA in de komende jaren versterkt wordt. Het belangrijkste wetgevende dossier voor onze FOD dat nog op tafel lag, was de richtlijn over platformwerk. Platformwerk gaat over mensen van wie het werk wordt aangestuurd door een app, zoals bijvoorbeeld de maaltijdbezorgers die we door onze straten zien rijden. We vonden het belangrijk dat de arbeidsvoorwaarden voor hen versterkt werden en dat er Europese afspraken komen over hoe die interactie met die apps moet verlopen. Spanje, het voorzitterschap voor ons, was er net niet in geslaagd om een akkoord te bereiken tussen aan de ene kant het Europees Parlement en aan de andere kant de Raad van Ministers, de Raad waarin de lidstaten vertegenwoordigd zijn. En dus moesten wij opnieuw proberen om een ander compromis te bereiken. Zo zijn we samen tot een voorstel van akkoord gekomen met het parlement, met de commissie, en zijn we daar terug mee naar de raad gestapt. Uiteindelijk is het toch gelukt om een akkoord te bereiken. Voor ons voorzitterschap was het wel belangrijk dat we dat hebben kunnen doen, omdat we echt vinden dat er goede afspraken moeten zijn op Europees vlak over hoe die platforms kunnen en mogen werken. Binnen de EPSCO-raad, binnen de Raad van Ministers van Sociale Zaken en Werk, wordt al verschillende jaren en door verschillende voorzitterschappen gesproken dat het toch wel goed zou zijn om eens een gezamenlijke vergadering te houden van de ministers van Werk en Sociaal Beleid met de ministers van Financiën. En uiteindelijk, tijdens ons voorzitterschap, is dat er dan toch van gekomen. Op 12 maart hebben we die gezamenlijke vergadering gehouden. De ministers hebben daar van gedachten gewisseld over het thema van sociale investeringen. Wat betekent sociale investeringen? Investering betekent dat je nu geld uitgeeft dat dan in de toekomst rendeert. En we denken dan, zeker ook binnen Europa, vaak aan grote infrastructuurwerken, aan de kabelnetwerken en dergelijke. Maar wat wij wilden onderlijnen is dat ook investeringen in sociaal beleid kunnen renderen later. Dat investeringen in gezondheid, in vorming, in opleiding van werknemers, dat dit ook zaken zijn waar je nu geld aan uitgeeft en waar je later baat bij hebt. Dat is een boodschap waarvan we niet vooraf zeker waren dat ministers van Financiën die graag wilde horen. Dus het was best wel een interessante vergadering. En uiteindelijk heeft die dan geleid tot officiële conclusies van de raad die we dan op de volgende ministerraad in juni hebben kunnen goedkeuren. Ik ben begonnen met te zeggen dat we de agenda voor de komende periode willen bepalen op basis van de Europese pijler van sociale rechten. We hebben lang nagedacht hoe willen we dat doen, en uiteindelijk gezegd: wat we willen is een verklaring over waar het naartoe moet met die pijler en we willen die verklaring zo breed mogelijk gedragen zien. We willen dat iedereen, alle Europese instellingen en ook de sociale partners en de civil society, het social platform in Europa daar mee achter kunnen staan. We zijn dan lang op voorhand beginnen onderhandelen, beginnen discussiëren en teksten maken. En uiteindelijk heeft dat dan geleid tot de verklaring van La Hulpe (Terhulpen) die we hebben voorgesteld tijdens onze conferentie in La Hulpe en die dan ondertekend is door de voorzitter van de Europese Commissie en door de voorzitter van het Europees Parlement, door de Belgische premier namens vijfentwintig lidstaten we waren er net niet in geslaagd om alle lidstaten mee aan boord te krijgen, door een reeks Europese sociale partners, door het Social Platform en ook door het Europees Economisch en Sociaal Comité. We hebben daarmee dus een heel breed gedragen agenda voor de komende periode. En we hebben ondertussen, want we zijn al een aantal maanden verder, ook gezien dat die verklaring echt wel impact heeft op de nieuwe plannen voor de commissie en ook op wat het Europees Parlement voor de komende jaren naar voor schuift. We zijn er op die manier toch wel in geslaagd om mee te werken aan een consensus over het Europese beleid op ons domein, dat in de komende jaren moet gevoerd worden.